Hoe lang mag je wachten met een onbetaalde factuur aan een particulier?
Kleine dossiers blijven het langst liggen. Net daar zit het risico.
Verkoop je goederen aan particulieren, dan kan je vordering na één jaar al verjaard zijn. Niet na tien jaar, zoals de meeste ondernemers denken. En sinds 1 oktober 2024 moet je er ook niet meer op rekenen dat niemand het opmerkt: de rechter mag dat sindsdien zelf nakijken, zonder dat je klant er iets voor hoeft te doen.
Een arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 juni 2026 zet de grenzen van die regel scherp. Wij lichten eruit wat je er praktisch mee kan.
Wat er sinds 1 oktober 2024 veranderd is
De klassieke regel: verjaring is een verweer, dus je tegenpartij moet het inroepen. Een rechter mag dat niet in haar plaats doen.
De wet van 15 mei 2024 maakte daar één uitzondering op, in artikel 2223 van het oud Burgerlijk Wetboek. De rechter mag de verjaring wél zelf opwerpen zodra drie voorwaarden samenvallen:
- het gaat om een vordering tot betaling van een geldschuld;
- de eiser is een onderneming;
- de verweerder is een consument.
Met andere woorden: precies de situatie van elk B2C-incassodossier dat voor de rechter komt. De wetgever wilde vermijden dat een consument die niet komt opdagen, veroordeeld wordt tot betaling van iets wat duidelijk verjaard is.
De termijn van één jaar
Voor de meeste contractuele vorderingen geldt tien jaar (artikel 2262bis, § 1 oud BW). Maar daarnaast bestaat er een reeks korte termijnen, en één daarvan raakt rechtstreeks aan de detailhandel en e-commerce.
Artikel 2272, tweede lid oud BW: de rechtsvordering van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, verjaart door verloop van één jaar.
Verkoop je dus goederen aan particulieren, dan zit je mogelijk in die korte termijn. De woorden van dat artikel komen uit een andere tijd, en over de precieze draagwijdte ervan wordt gediscussieerd. Reden te meer om een oud dossier te laten bekijken in plaats van het zelf in te schatten.
Waarom dit een kwijtende verjaring is, en waarom dat verschil maakt
Die termijn van één jaar is geen gewone bevrijdende verjaring. Het is een kwijtende verjaring: de wet gaat ervan uit dat er betaald is en dat de klant dus kwijting heeft gekregen, ook al kan hij dat niet bewijzen. In het arrest wordt ze omschreven als een vermoedelijke verjaring van betaling.
Waarom bestaat die constructie? Omdat het historisch ging om aankopen die contant werden afgerekend en waarvan niemand een bewijs bijhield. Om te vermijden dat een oneerlijke verkoper dezelfde schuld een tweede keer laat betalen, wordt na een jaar aangenomen dat er betaald is.
Daar staat een tegengewicht tegenover, en dat is het stuk dat je als schuldeiser moet kennen. Artikel 2275, eerste lid oud BW laat je toe om aan wie zich op die verjaring beroept, de eed op te dragen over de vraag of er werkelijk betaald is. In gewone taal: je kan je klant laten zweren dat hij betaald heeft. En het vermoeden speelt niet wanneer je klant erkent dat hij niet betaald heeft, of wanneer dat in een geschrift is vastgesteld.
Wat het Grondwettelijk Hof eraan toevoegt
De zaak vertrok bij een vredegerecht, in een incassodossier over een openstaande webshopfactuur van 99,95 euro voor kleding en accessoires. De consument kwam niet opdagen.
De vrederechter zag een probleem: bij verstek kan je die eed aan niemand opdragen. Werpt de rechter dan tóch de eenjarige verjaring op, dan wordt de schuldeiser gestraft voor de afwezigheid van zijn tegenpartij.
Het Hof volgt dat. Blijft de consument bij verstek in een dossier met die eenjarige kwijtende verjaring, dan kan de rechter die verjaring niet op dienstige wijze ambtshalve opwerpen. Bij een gewone bevrijdende verjaring ligt dat anders: daar kan het wel, ook bij verstek.
Verschijnt je klant wel en zwijgt hij over de verjaring, dan kan de rechter ze alsnog opwerpen. En dan kan jij de eed opdragen.
Het Hof besluit dat artikel 2223 oud BW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.
Wat je er morgen mee doet
- Zet een termijn op je opvolging. Een openstaande factuur bij een particuliere klant die richting de twaalf maanden gaat, hoort niet meer in je herinneringsflow maar in een invorderingsdossier.
- Bewaar meer dan de factuur. Rappels, mails, een afbetalingsafspraak, een vraag om uitstel. Alles waarin je klant laat blijken dat er nog iets openstaat, ontmijnt het vermoeden van betaling.
- Vraag een erkenning wanneer je er toch een gesprek over hebt. Een ondertekend afbetalingsplan is op dat moment meer waard dan een reeks aanmaningen.
- Doorloop de minnelijke fase correct. Bij consumenten geldt boek XIX WER, met onder meer een eerste kosteloze herinnering en een wachttermijn voor je kosten aanrekent. Die stappen bouwen tegelijk je dossier op.
- Laat oude dossiers nakijken voor je ze afschrijft. Of die eenjarige termijn speelt, hangt af van wat je verkocht hebt en aan wie.
Verjaring is zelden een juridisch probleem. Het is een opvolgingsprobleem dat op het einde juridisch wordt.
Grondwettelijk Hof 18 juni 2026, nr. 75/2026, rolnummer 8518, ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.075, op prejudiciële vraag van de vrederechter van het tweede kanton Charleroi, over artikel 2223 oud BW zoals gewijzigd bij de wet van 15 mei 2024, gelezen met de artikelen 2272 en 2275 oud BW.
Twijfel je of een openstaande factuur nog inbaar is? Invordering.be, het incassoteam van Interius Advocaten, bekijkt je dossiers met je. Neem gerust contact op.
Deze blog bevat algemene informatie over een gepubliceerde uitspraak en is geen juridisch advies over een concrete situatie.